goeiemie

Tijdens de afgelopen sessie  “De Wijken ” , ging de Ziel op zoek naar de meest Leidse wijk. And we have a winner: Tussen de Rijnen. Cynthia Schild en haar Goeie Mie team.

Na zes bijeenkomsten weten we: de Ziel van Leiden vinden is geen makkelijke taak. De ziel is niet iets eenduidigs. Misschien is hij wel over alle buurten, straten en pleinen verspreid. Het hart van de stad kan alleen kloppen door de interesses en initiatieven in de eigen omgeving die vanuit alle Leidse wijken ontstaan, schreven we eerder.

Om dat idee te testen komen we samen op woensdagavond 5 oktober in Theehuis Noord. Het theehuis is een houten cabine met grote glazen wanden, die oplicht als een lantaarn op de donkere grens tussen woonwijk en park. De opdracht die we onze gasten hadden meegegeven was simpel: vertel het verhaal van je wijk in de vorm van een elevator pitch van twee minuten.

Huh, zijn de 2 minuten nu al voorbij? Vrijwel elke pitcher reageert zo, want de meesten willen nog zóveel vertellen! Gelukkig was er na elke pitch ruimte om het bijzondere van de wijk nog wat verder uit te diepen, anders was de bevlogenheid van de sprekers zeker tekortgedaan.

 

De winnende pitch (Tussen de Rijnen met een verhaal van Cynthia Schild) was volledig verdiend. De samenhorigheid in de wijk bleek niet alleen uit de inzet die iedereen toonde bij het maken van een eigen speelfilm, maar ook uit de hoeveelheid supporters die Cynthia had meegenomen. Goede tweede werd een buurt die bijna niet meer had bestaan, maar zich zo goed heeft geweerd dat er 2 miljoen werd binnengehaald om de eigen plannen te realiseren: de Zeeheldenbuurt. Vermeldenswaard zijn ook de pitches van Tuinstadwijk/Staalwijk omdat deze binnen de twee minuten een uitgebreid beeld van het eigen karakter van de wijk wist te schetsen en het Waardeiland vanwege de originele opening, waarbij niemand raadde om welke wijk het ging.

 

Twee minuten blijkt dus veel te kort om de grote verschillen tussen de wijken recht te doen. De ene buurt kan op veel liefde rekenen, in andere wijken is de ziel al jaren zoek of was hij er misschien wel nooit.Wat zijn de ingrediënten voor een wijk mét ziel?

  1. Een verhaal dat iedereen kent en deelt. Neem het Waardeiland. De woonwijk ligt er pas sinds de jaren 80, maar het eiland is veel ouder. Het werd door de Rijn uit zand en klei geschapen en ooit bevolkt door Batavieren en Romeinen. ‘Ons Waardeiland is een eiland van geheimen,’ schrijft Karel van Laarhoven.

 

Andere wijken baseren hun claim-to-fame op een roemrucht personage dat er ooit woonde. WijkverenigingTussen de Rijnen maakt een speelfilm over de seriemoordenares Goeie Mie, die in de 19e eeuw in die buurt geboren werd. Mie zou meer dan honderd mensen in de arbeidershuisjes van Leiden vergiftigd hebben. Buurtbewoners spelen alle rollen in de film en ook vanavond zijn er zeven mensen bij om hun pitcher Cynthia Schild aan te moedigen. 

 

  1. Samen sterk staan tegenover krachten van buitenaf. De bewoners van de Zeeheldenbuurt kunnen daarover meepraten. De halve wijk moest plat, vertelt Cor Arnoldus, volgens plannen van woningcorporatie Portaal. Maar ze hadden niet op de bewoners gerekend: ‘wij zijn klagers, net een zeker Gallisch dorpje.’ Niet alleen werden de sloopplannen door het protest teruggedraaid, in 2014 kreeg de wijk bijna 2 miljoen euro van de gemeente toegekend om een zelfgeschreven wijkplan uit te voeren. Niets verbindt zoals voor je eigen buurt opkomen wanneer de zaak verloren lijkt – en dan toch als winnaar uit de bus komen.
  2. Een plek om elkaar te ontmoeten. Het mooiste aan de Tuinstad/Staalwijk is de Herenstraat, volgens Ferry Rigault. Van zaken met verse vis en parketvloeren tot een sexshop: ‘alles is er’ en daar ontmoet je iedereen. Dat maakt het makkelijk om buurtinitiatieven te organiseren, zoals kunstexposities en opruimacties voor zwerfafval.

 

  1. Samen bouwen. Een wijk hoeft niet oud te zijn om een ziel te hebben, leert Jeroen Bakker uit Nieuw Leyden Want de ziel, dat zijn de bewoners zelf. In deze nieuwbouwwijk waren de bewoners vrij om hun huizen te bouwen en de wijk in te richten zoals ze dat zelf wilden. ‘Waar eerst koeien naar de slacht werden gebracht staat nu een kinderopvang. Waar dood was, is nu leven.’Geen eenvoudig proces: van een grootschalig bouwproject word je moe, en dan is het niet makkelijk aandacht te hebben voor de kleine dingen, zoals welke planten waar moeten worden neergezet. Maar dat levert ook samenhorigheid op. ‘Ik lach altijd even naar de buurman, want we hebben hetzelfde meegemaakt.’

Help, mijn wijk heeft geen ziel!

Het lukt niet altijd om de ziel in je wijk te ontdekken. Robert van Oirschot vraagt zich af hoe dat komt. In zijn wijk Roomburg ziet hij dat de appels die van de bomen vallen op straat blijven liggen – en al zou hij het liefst appelmoesmet de buren maken, hij bukt niet.

Soms komt zo’n gebrek aan wij-gevoel doordat er geen voorzieningen zijn. Op het Waardeiland spreekt men elkaar via apps als Nextdoor, bij gebrek aan winkels ‘of zelfs maar een glasbak’. In de Merenwijk ontbreekt het hart. Anderen missen aansluiting met de stad. Cor Arnoldus van de Zeeheldenbuurt filosofeert: ‘waar horen wij eigenlijk bij?’

En soms zie je de ziel voor je ogen verdwijnen. Dat overkwam Bram Peters in het Noorderkwartier, waar vroeger nog sprake was van een hechte ‘rooie arbeidersbuurt’. Maar waar het steeds moeilijker wordt om mensen te betrekken bij de wijkvereniging. Bram woont nu in Het Gebouw, een geometrisch gevaarte in zwart, zandtinten en groen in de wijk de Kooi: ‘Levensloopbestendig wonen vond ik zo’n mooi woord, ik dacht dat wil ik ook.’ In de afgelopen jaren heeft hij al acht of negen buren gehad. ‘Je bouwt niets op.’

‘Eenzaamheid’, hoor ik een van de andere gasten zeggen, ‘is de grootste kwaal van deze tijd.’

Het mooie aan Leiden is dat er altijd hoop op beter blijft. Gert Walraven beschrijft hoe de Merenwijk een plan voor de nieuwe inrichting van de buurt maakt. Bewoners schuiven op een levensgrote kaart met blokken die gebouwen voorstellen. Met glimmende ogen: ‘Wil jij daar geen sportschool? Dan zet je hem toch gewoon een kilometer verderop!’