DZVL2_Nils_RadioZvL

Sessie 2: Markt & Nijverheid

Luister hier de radio-uitzending van Sleutelstad fm terug.

 

Sprekers: 

Chris Oppenheimer, Jori Zijlmans en Nicole Roepers van De Lakenhal, Chris Verplancke (oud-voorzitter Vereniging van Ambulante Handel), historicus Cor Smit, smid Sjaak van de Geijn, Hans van der Meij van uitgeverij Brill, Benjamin Wegman van de Leidse brouwerij Pronck en Anneke Fennema van museum Het Wevershuisje.

 

 

Verslag van de sessie

Voor deze sessie 2  met als thema ‘Markt en Nijverheid’ komen we samen in het gehoorzaaltje op de tweede verdieping van de Lakenhal, met uitzicht op de Oude Singel.  De locatie is toepasselijk: Als je het zaaltje uitloopt en de hoek omdraait kom je in het oorsponkelijke deel van het gebouw, waar de staalmeesters het Leidse laken keurden. Er hangt een enigszins muffe geur van eeuwenoud hout en stof dat zich in het bouwwerk verzameld heeft. In de ruimte hangen lappen blauw laken over grote stellages, zodat je met je vingers aan de dikke zachte stof kunt voelen. 

Veel mensen weten niet dat laken van wol gemaakt werd, vertellen Jori en Nicole, curatoren van het museum. Juist dat laken heeft volgens hen de ziel van Leiden bepaald. In de 17e eeuw lag Leiden in het middelpunt van een wereldindustrie. De enorme inkomsten en de aanwezigheid van arbeiders en handelaren die bij het textiel betrokken waren, zijn bepalend geweest voor het groeien en ontstaan van de  stad zoals we haar nu kennen. 

Volgens Anneke Fennema, die helpt om in het Wevershuisje de oorspronkelijke ambacht in leven te houden, geldt het weefgetouw als een symbool voor de stad. ‘Het komt in al jullie verhalen terug,’ zegt ze, gebarend naar haar gespreksgenoten. Smid Sjaak van der Geijn maakte ooit de zware metalen kam van haar weefgetouw precies na toen die door het vele gebruik versleten was. Het weven was vooral “heel hard werken”, zegt hij. Ook Benjamin Wegman, van bierbrouwerij Pronck, erkent dat de oude ambachten toch vooral zwaar werk uit noodzaak waren. “Het bier van toen smaakte wel even anders dan dat we nu maken. Het was een dorstlesser, een manier om niet dood te gaan aan het smerige water.”

Maar waar ellende is, daar wordt ook geleefd.  Dankzij al die bedrijvigheid is Leiden bijzonder. Neem bijvoorbeeld alle verschillende markten – voor kaas en boter tot verschillende soorten vee-  door de stad heen verspreid. Historicus Cor Smit beschrijft hoe de markten vroeger mensen vanuit de wijde omtrek trokken: “De eerste markten waren halve kermissen: ze brachten leven in de brouwerij en nieuwe gezichten van buiten naar de stad.”

“Vroeger leefden we op straat,” zo beschrijft Chris Oppenheimer Leiden uit de jaren ’60. Zijn stad werd bevolkt door scharenslijpers, oorgeldraaiers en nozems met vetkuiven. Een stad waar echte mannen palingen vingen en vrouwen thuis aardappels kookten. Maar met het sluiten van de fabrieken veranderde ook iets wezenlijks aan de sfeer in de stad zelf, vindt hij.

Universiteitsdrukker Brill ziet ook een andere kant van het verhaal. “De ziel van de stad heeft twee pijlers,” meent hij: “Niet alleen de nijverheid, maar ook de universiteit.” Het was de universiteit die de laatste decennia een trekpleister voor studenten en professoren uit de hele wereld was, en innovatie aanjoeg die de oude ambachten grotendeels heeft vervangen. De bedrijvigheid in de stad kreeg daardoor een tweede adem, ziet hij.

Een voorbeeld daarvan is brouwerij Pronck,dat Benjamin Wegman na zijn studie aan de universiteit begon met een stel vrienden. Ze brouwen ambachtelijke bieren voor verschillende kroegen in Leiden en omgeving. Het is precies het soort product dat populair is bij ‘foodies’, vaak een hoog opgeleid en jong publiek. “We ontdekten hoe leuk het is om zo’n ambacht uit te voeren, aan de ene kant door het wiel opnieuw uit te vinden, aan de andere kant door zwaar te leunen op de historische traditie van het bierbrouwen. Met maar vier ingredienten heb je oneindig veel combinaties om mee te variëren.”

In andere woorden: ook nu nog liggen er kansen voor ambacht en handel in Leiden. Maar dan moet de stad die wel benutten. Neem nu de markten.  Volgens Chris Verplancke, ooit zelf marktkoopman en voorzitter van de Vereniging van Ambulante Handel, ligt daar nog veel potentieel. De markten zijn sfeervol en liggen midden in de stad, dus horecagelegenheden en winkels zijn ook dichtbij. Toch worden ze de laatste tijd minder bezocht. Volgens curator Jori van de Lakenhal is dat logisch: “De ziel van de stad verandert… ook in de 19e eeuw kreeg de markt concurrentie van winkels en dat heeft het ook overleefd. Nu met het internet moet de stad zich weer aanpassen.”Als het aan Verplancke ligt, wordt het hoog tijd om de regelgeving rond de markten eens aan te passen: langere openingstijden en meer vrijheid voor de koopmannen om zelf te besluiten waar ze staan. Eigenlijk net zoals vroeger, dus.